spacer  
spacer

Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen vzw
Middelheimlaan 1
2020 Antwerpen
T 03-265 30 56
F 03-265 30 58
E info@auha.be
> meer


TAKEOFFANTWERP_
fuelling entrepreneurship


In English
> more


 Gata15 groen transparant.png 

academisering

Het academiseringsconcept: de verwevenheid onderwijs – onderzoek
 
Het structuurdecreet (2003) bepaalt dat de voormalige 2-cycli-opleidingen van de hogescholen academische Bachelors en Masters worden en aan dezelfde normen en op dezelfde wijze beoordeeld zullen worden als de bachelors en masters van de universiteiten. Tot ten laatste 2013 – wanneer de accreditatietoets is voorzien – is er een overgangsperiode waarin deze voormalige 2-cycli-opleidingen zich dienen te ‘academiseren’. De Ministriële Werkgroep Academisering omschreef deze opdracht als volgt: “de inbedding van het onderwijs in het wetenschappelijk onderzoek, waardoor het onderwijsprogramma sterker op onderzoek wordt gericht en afgestudeerden ook over duidelijke onderzoekscompetenties beschikken.”
Het bewerkstellingen van een nauwere verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek staat aldus centraal in het academiseringsconcept. Wanneer men een invulling tracht te geven van academisering wordt vaak verwezen naar het ‘Von Humboldt concept’ dat stelt dat er geen echt academisch onderwijs mogelijk is zonder onderliggend (fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek.  Reeds in 1810 werd door von Humboldt (1810) geopperd dat het doen van onderzoek of beter nog het wetenschappelijk bezig zijn ook ‘ vormend’ is. Door wetenschappelijk actief te zijn streven de onderzoeker en de student naar het achterhalen van algemeen geldende kennis. Omdat men in het wetenschappelijk onderzoek streeft naar het algemene wordt dit onderzoeksproces tegelijkertijd als een algemeen vormingsproces beschouwd. Aan deze eenheidsgerichte invalshoek waarbij de intrinsieke band tussen onderzoek en onderwijs centraal staat, ontleent de universiteit traditioneel haar identiteit. De huidige context en de recente academiseringsopdracht daagt ons evenwel uit om opnieuw duidelijk te definiëren wat er juist onder academisch onderwijs moet worden verstaan. De voorbije jaren - waar binnen de AUHA de eerste stappen in het academiseringsproces gezamenlijk werden gezet tussen de voormalige 2-cycli-opleidingen van de hogescholen en de universiteit - hebben geleerd dat een eigentijdse invulling van het academiseringsconcept nodig is.  

> Onderzoeksmanager
> BOF-middelen


Vooreerst vereist de academiseringsopdracht vaak een (ge)eigen(de) invulling al naargelang het te academiseren studiegebied/opleiding. Voor de Industriële Wetenschappen bijvoorbeeld moet de academisering duidelijk verder gaan dan enkel de verwevenheid tussen onderzoek en onderwijs maar is ook de band met de industrie essentieel. De nauwe relatie met de industriële praktijk biedt immers een duidelijke meerwaarde voor het onderzoek maar ook voor de toekomstige inzetbaarheid van de studenten. De industriële verwevenheid haalt het onderzoek weg van het steriele onderzoekslaboratorium karakter en laat toe om de resultaten van bij het begin te toetsen aan harde industriële criteria (robuustheid, schaalbaarheid, economische haalbaarheid, e.a.). Dit bevordert de doorstroming van de onderzoeksresultaten naar de industriële praktijk (valorisatie). Bij de academisering in de kunstopleidingen wordt het dan weer als essentieel beschouwd dat de interactie tussen onderwijs en onderzoek steeds een meerwaarde moet hebben en moet bijdragen tot de artistieke ontwikkeling. Academisering wordt daar ingevuld als het nastreven van een dynamische verwevenheid tussen het onderwijs, het onderzoek én de artistieke praxis. Bovendien vindt de academisering ook daar niet op een eiland plaats maar gebeurt in interactie met de culturele omgeving en het breder kunstlandschap in het bijzonder. Partners in het academiseringsproces zijn bijvoorbeeld befaamde kunstinstellingen zoals het MuHKA, KMSKA, DeSingel, etc, …).  Nog een  ander voorbeeld inzake de ‘eigen’ invulling van het academiseringsconcept vinden we bijvoorbeeld bij de opleiding kinesitherapie. Daar moet bijvoorbeeld de nauwe relatie met de klinische praktijk en de gerichtheid op de latere beroepspraktijk een wezenlijk onderdeel vormen van de verdere invulling van het academiseringsconcept.Maar ook in de andere te academiseren studiegebieden/opleidingen zoals: de nautische wetenschappen, de integrale productontwikkeling, de architectuur, vertalen-tolken,… wordt bij de invulling van het academiseringsconcept steeds gewerkt volgens een open benadering naar de ruimere maatschappelijke omgeving en de uitbouw van het onderzoek in samenwerking met alle relevante stakeholders. Deze stakeholders kunnen - naar gelang de te academiseren opleiding - zeer verscheiden zijn, van rederijen tot ziekenhuizen, farmaceutische firma’s, de culturele, sociale en welzijnssector, …. 
 
Gemeenschappelijk element in al deze academische opleidingen moet zijn om mensen op te leiden tot op het hoogste niveau waar men leert om grenzen te verleggen en dit zowel in de breedte als in de diepte. Het verleggen van grenzen in de breedte betreft bijvoorbeeld het gebruiken van bestaande methodologieën en toepassingen in een nieuwe context. Het verleggen van grenzen in de diepte betreft dan weer eerder de zoektocht naar (nieuwe) wetmatigheden en paradigma’s maar ook nieuwe antwoorden/inzichten op reeds ‘oude’ vragen. Academische opleidingen moeten ook het creatief zijn stimuleren. Via onderzoek kan men zich deze competenties eigen maken. Het doctoraat behoort ook duidelijk tot dit niveau van ‘leren grenzen verleggen’. Onderzoek wordt dan geen doel op zich maar een middel en het creëren van kennis een gevolg. In een academische opleiding leert men ook buiten de krijtlijnen te gaan, dwz grenzen verleggen door de kennis op zich te verleggen of toe te passen op een bredere context dan die waarin ze werd aangeleerd. De multidisciplinaire/interdisciplinaire benadering wordt hierbij steeds belangrijker (zie supra). Een academicus leert om problemen te analyseren en op te lossen die vaak ook verder gaan dan de voorbeelden uit de eigen opleiding. Hiervoor is een stevige basiskennis en onderzoeksmethodes nodig om die kennis te kunnen toepassen maar ook creativiteit en inzicht. Deze vaardigheden kunnen slechts worden aangeleerd indien de docenten ook zelf actief zijn in het verleggen van grenzen in hun domein, hetzij door wetenschappelijk onderzoek of onderzoek in de kunsten.
 
Tenslotte moet benadrukt dat de verwevenheid tussen onderzoek en onderwijs in twee richtingen moet gaan. Zij mag zeker niet eng vertaald worden in de zin dat het onderwijs vooral in functie van het onderzoek moet worden uitgebouwd. Evenzeer  belangrijk is dat het onderzoek ten bate worden gebracht van de onderwijspraktijk, en dat de onderzoekscultuur doorsijpelt in het opleidingsprogramma. Er moet  aandacht uitgaan naar een evenwichtig onderwijsaanbod (d.w.z. geen aanbod dat louter in functie staat van bestaande of toevallige onderzoeksinteresses van de professoren) met een evenwichtig curriculum waarin de student alle nodige competenties met inbegrip van onderzoekscompetenties kan verwerven. Hierbij moet ook bijzondere aandacht uitgaan naar de synergie tussen de eerste cyclus en de tweede cyclus waarbij men ook reeds in de bachelorjaren gestimuleerd wordt om de cultuur van onderzoek en grenzen verleggen reeds mee te geven aan de BA-studenten en zo de basis gelegd wordt voor creativiteit.